Direct naar de navigatie

Geschiedenis

De vrijmetselarij in Nederland

Omstreeks 1900

Maatschappelijke betrokkenheid

Het eind van de negentiende eeuw was voor de vrijmetselarij in Nederland een bewogen periode. De vrijmetselarij zoals die binnen de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden beoefend werd, werd door zowel interne en externe ontwikkelingen uitgedaagd.

Omstreeks 1900 ontstonden gemengde maçonnieke organisaties (zie: Vrijmetselarij in Nederland: de twintigste eeuw) en pseudo-maçonnieke verenigingen, waarvan de leden zichzelf vrijmetselaren noemden of waarvan de activiteiten leken op die van de Orde. Ook de Nederlandse onderafdeling van de Theosophical Society (Adyar) won aan populariteit en telde veel vrijmetselaren onder de leden. De groei van gemengde vrijmetselaarsorganisaties hing samen met een aantal maatschappelijke ontwikkelingen. In het kader van het streven naar broederschap en gelijkheid waren leden ook actief voor het vrouwenkiesrecht, en in de arbeidersbeweging, de dierenbescherming en de drankbestrijding.

Binnen het Grootoosten der Nederlanden werd het appèl van de ‘vragen van de dag’ in de tweede helft van de negentiende eeuw ook serieus genomen. Er werd gezocht naar een manier om vanuit de vrijmetselarij betrokkenheid bij de maatschappij te tonen. Men nam initiatieven als enquêtes over werkloosheid en kinderzorg, lezingenavonden voor jongeren en de oprichting van een maçonniek persbureau. Ook voerde men discussie over de houding die de Orde moest aannemen ten opzichte van de vrouw.

De discussie over de rol van de vrijmetselarij in de wereld is terug te vinden in de agenda van de loges in die tijd. Er werd jarenlang overleg gevoerd over de herziening van rituelen, wetten en statuten. Het Hoofdbestuur streefde naar meer uniformiteit in de rituele werkwijze, naar een sterkere aansturing van de loges en naar duidelijkheid over de doelstelling van de vrijmetselarij. In 1900 leidde dit tot het vaststellen van een maçonnieke beginselverklaring. Een nieuwe Ordewet werd in 1917 aangenomen, maar nieuwe rituelen lieten tot 1928-1929 op zich wachten.

Verschillende Grootmeesters, prins Alexander (1851-1884, in functie 1882-1884), P.J.G. van Diggelen (1837-1907, in functie 1885-1892) en Gerrit Vas Visser (1838-1911, in functie 1892-1906), probeerden de vrijmetselarij slagvaardiger, doelgerichter en aantrekkelijker voor nieuwe leden te maken. De maçonnieke stelregel dat de Orde zich niet bezighoudt met politiek of godsdienst vormde daarbij steeds de richtlijn, maar de grenzen van dit standpunt werden in de laatste decennia van de negentiende eeuw verkend. Onder Grootmeester S.M. Hugo van Gijn (1848-1937, in functie 1906-1917) werd het evenwicht tussen ‘werk naar buiten’ en de beslotenheid van de vrijmetselarij hervonden.

Geschiedenis

De vrijmetselarij in Nederland

Omstreeks 1900

stichting ter bevordering van wetenschappelijk Onderzoek naar de geschiedenis van de Vrijmetselarij in Nederland OVN op Twitter

Submenu van "de vrijmetselarij in Nederland"